lundi 30 avril 2018

DS 20180430 Charles Rennie Mackintosh - excellente synthèse



Bij het binnenkomen van de muziekkamer spat het zuiderlicht je tegemoet.  glasgow mackintosh
Glasgow herdenkt honderdvijftigste geboortedag van Charles Rennie Mackintosh

Schoonheid heeft haar onvolkomenheden

Vier jaar geleden vloog zijn School of Arts in brand, maar los daarvan zijn de gebouwen van Charles Rennie Mackintosh bewaard. Hoewel hij er na een roemloos ontslag nooit meer terugkeerde, herdenkt Glasgow dit jaar zijn wonderkind. ‘We denken dat jullie Palais Stoclet op een van zijn plannen gebaseerd is.’


Affiche met gerekte figuren: ‘over een gaspijp getrokken.’ CSG CIC Glasgow Museums

Glasgow oogt zwaarmoedig, met zoveel klassieke gebouwen in beigebruine tot zelfs bruinrode zandsteen. Die kwam uit groeves uit de regio – hoe jonger de gebouwen, hoe roder. Die van Charles Rennie Mackintosh, vanaf de jaren 1890, neigen vooral naar het rode. Vanuit deze harde industriestad eiste hij zijn hoofdstuk op in het verhaal van de Europese art nouveau.
Hij werd net voor de School Act geboren, in 1868, in een gezin van elf. Door dat onderwijsprogramma kon hij eerst les volgen, later bouwde hij er scholen voor. Vanaf zijn vijftiende werd hij op de Glasgow School of Arts blootgesteld aan technieken uit de toegepaste kunst. Nog geen vijftien jaar later leverde hij met een nieuw gebouw voor die school zijn meesterwerk af.
Op wandelafstand van die school ligt de Glasgow Art Club, nog altijd een stijlvolle sociëteit. In dit gebouw uit 1893 moeten we op zoek naar de hand van Mackintosh. Hij was dan vijf jaar in dienst bij het bureau Honeyman & Keppie en mocht stilaan zijn eerste inbreng doen. De schoorsteenmantel is te log om van hem te zijn. Maar de ventilatieroosters zijn met hun sierlijke vervlochten letters onmiskenbaar van hem. Uit een artikel dat The Bailie over de opening schreef, konden kunsthistorici afleiden dat de kamer behangen was met sjablonen. Na geduldig pulkwerk hebben restaurateurs ze onlangs blootgelegd en gereconstrueerd. We zien motieven terugkeren van de distel, het symbool van Schotland. Dit moet Mackintosh zijn, de man die gefascineerd was door de flora en de Schotse bouwgeschiedenis.
Voor de school in Scotland Street werkte hij met twee sets plannen: een sobere versie voor het schoolbestuur en zijn eigen versie voor de uitvoerders
Dat blijkt een paar straten verder, waar hij in 1895 met de redactie van de Glasgow Herald voor het eerst de leiding van een project kreeg. Wegens brandgevaar in de drukkerij was er een watervoorziening vereist. Van die nood maakte Mackintosh een deugd. Hij koos voor een hoekpand, zodat hij een groot gebaar in de hoogte kon maken. Bovenaan installeerde hij het waterreservoir. Wat in wezen een industriële watertoren was, werkte hij uit tot een gestileerde versie van een middeleeuwse kasteeltoren. Die Schotse baronian style zou hij vaak citeren.


Over de volle hoogte van de toren verwerkte hij symbolische ornamenten. De levensboom of de plant die tot bloei komt, zijn motieven die zijn hele oeuvre terugkeren. Vlak boven de toegangspoort verbeelden de versieringen zaadjes, in de hogere verdiepingen zijn dat belletjes van de wilde hyacint – nog een Schots symbool. Als een hoedje staat een Japans aandoende dakspits op de toren: een ideale landingsbaan voor de duiven die de voetbaluitslagen binnenvlogen.
In het bezoekerscentrum is te zien hoe breed zijn palet voor zijn dertigste al was. Smeedwerk, meubels, gekleurd glas, textiel en sjablonen stonden ten dienste van zijn totaalinrichtingen. Met zijn vrouw Margaret vormde hij een samenwerkende vennootschap.


House for an Art Lover is gereconstrueerd op basis van oude plannen voor een ideeënwedstrijd. glasgow mackintosh

Hoe bedreven Mackintosh was in huisinrichting bewijst zijn eigen woning, die gereconstrueerd is op de universiteitscampus. Nog niet al te bemiddeld, kocht hij een klassieke Victoriaanse woning die hij met enkele briljante ingrepen naar zijn hand zette. Hij perst zijn bezoeker door een smalle voordeur en laat de gang vervolgens licht oplopen en de muren geleidelijk verwijden. Alsof je in een zee van ruimte terechtkomt. Om de belachelijk hoge plafonds maat te geven, paste hij een visuele truc toe. Tot drie vierde van de muren bracht hij zwartbruin behangpapier aan, met een fijn rasterpatroon en neerdwarrelende rozenblaadjes. Alles erboven bleef wit.
Van helderheid glunderen
Zwart-witcontrasten speelt hij vaker uit. De hogergelegen woonkamer is in smetteloos wit en glundert van helderheid. Omdat hij geen geld had voor een showroom, posteerde hij tal van zijn bekende meubels en stoelen in de ruimte. Bleef de witte kast dicht, dan heerste er visuele rust. Opende hij de deuren, dan brachten de paarsblauwe figuren binnenin kleurrijke prikkels. Met kleine toetsen in gekleurd glas speelde hij in veel projecten.
Het is verbazend hoe hij in een stad die volop whisky distilleerde en waar fabrieksarbeiders sloten bier dronken veel te danken had aan thee. Catherine Cranston, een ondernemend zakenvrouw, maakte places to be van haar theesalons voor de middenklasse. Een van de vroegste, in Buchanan Street, gaf hij ondeugende sjablonen – je kan een sierlijke fallus en twee handen herkennen. Margaret maakte voor Ingram Street The may queen, een fenomenale fries van 4,5 meter die nu de blikvanger is van een grote overzichtsexpositie. De langgerekte ­figuren zijn uitgewerkt in gesso, een techniek met pleister op jute.


Staat de kast open, dan komen kleurrijke elementen vrij. the hunterian

In 1898 ontwierp Mackintosh voor het theehuis in Argyle Street de stoel met de hoge rugleuning die wereldberoemd zou worden. Een hoogstandje van geometrie: de spijlen die bovenaan cirkelvormig zijn, veranderen geleidelijk tot ze onderaan uitlopen op een rechthoek. Zet vier van die stoelen rond een theetafel en het gezelschap zit in een cocon van intimiteit.


De ‘bow window’ van Scotland Street is gebaseerd op de baronial style. CSG CIC Glasgow Museums

Veel van die inboedels zijn ontmanteld. Eentje doet alsof, maar die wordt door de Schotten verketterd als de Mockintosh. Een andere, in Sauchiehall Street, zit wegens verbouwing achter panelen. ‘Het pand kwam was in 2014 op de immomarkt en was ten dode opgeschreven’, zegt Maggie Maguire, die ons een bouwvakkershelm aanreikt. ‘Een zakenvrouw heeft het aangekocht en laat het opnieuw restaureren als theehuis.’
Ze troont ons mee naar het Salon de Luxe, dat opnieuw zijn bow window heeft met kobaltblauwe accenten. Rondom is de ruimte afgezet met spiegelpanelen en wilgenpatronen. ‘We laten zo’n 420 meubels, tapijten en stukken ijzerwerk reconstrueren’, zegt ze. ‘Oudere ambachtslui geven het metier door aan jonge makers. Voor de elementen in kobalt waren we op zoek naar de juiste verf. In het atelier van een glazenier vonden we nog stalen van het origineel. Bleek dat zijn overgrootvader in 1903 nog aan het gebouw meewerkte.’


Glasraam in de ‘bow window’ van het theehuis in Sauchiehall Street. Rachel Keenan

Het is niet het enige gebouw dat aan de sloop ontsnapte. ‘In 1973 hebben we de Mackintosh Society opgericht’, zegt Stuart ­Robertson. De organisatie houdt kantoor in Queen’s Cross, een kerk die de architect in 1899 ontwierp. ‘Er was waterinsijpeling en vandalen hadden er ravage aangericht. Elders in de stad verkommerden twee scholen. Daar hebben we actie voor ­gevoerd. De restauratie van de kerk hebben we op ons genomen.’
De kerk heeft met haar stompe toren trekjes van een historisch kasteel. ‘Mackintosh heeft gewoekerd met ruimte’, zegt Robertson, ‘en zoals wel vaker heeft hij Schotse en Japanse elementen gecombineerd. Hij laat zich moeilijk vastpinnen op stijlen, zijn werk is altijd holistisch. Hij was speels en werkte niet volgens de regels van de kunst. Beauty has its imperfections, was zijn devies. In onze ­inventaris telden we 51 realisaties in de stad, waaronder ook monumenten en inboedels. Behalve in ­Wenen heeft hij in het buitenland niets gerealiseerd.’
Gustav Klimt
Nochtans sijpelden de ideeën van de Glasgow Style door naar het vasteland. Een poster uit 1895, met langgerekte figuren en gestileerde plantenvormen kwam in Parijs terecht in het Maison de l’Art Nouveau van Siegfried Bing. Tot een doorbraak kwam het niet: de pers vond dat de figuren ‘over een gaspijp getrokken waren’. Met zijn strakkere manier van bouwen had Mackintosh enkele jaren later de aandacht van de art-decotenoren in Wenen getrokken. Josef Hoffmann noemde hem een ‘zielsverwant’ en nodigde hem, zijn vrouw en Gustav Klimt bij zich uit. Waar we in Glasgow gesso’s van Margaret zien, wordt de overeenkomst met Klimt benadrukt.


Een detail uit de openklapbare witte kast in zijn eigen huis. mcateer photograph

Aan z’n meesterwerk, de School of Arts, is de verwantschap af te lezen. De zijvleugel van de eerste fase, klaar in 1899, ziet er nog uit als een kasteel. Tegen dat hij in 1910 aan de tweede fase toe was, werkte hij veel strakker en zat het resultaat dicht bij art deco. Doorheen de bouwstellingen is dat makkelijk te zien. In 2014 vatte het gebouw vuur, en er zijn nog steeds restauratiewerken aan de gang. De eerste berichten waren desastreus, maar uiteindelijk bleef 70 procent van de inboedel gevrijwaard. Er is goede hoop dat de bibliotheek, die in elk naslagwerk staat, volledig hersteld geraakt. De 600 glasscherven van de lampen geraken weer ineen gepuzzeld.


Financiële fiasco’s
Zijn controledrang bracht Mackintosh herhaaldelijk in moeilijkheden. Voor de school in Scotland Street werkte hij met twee sets plannen: een sobere versie voor het schoolbestuur en zijn eigen versie voor de uitvoerders. De fikse budgetoverschrijding had het bestuur niet zien aankomen. De Glasgow School of Arts was nog een financieel fiasco. In 1913 lichtte Honeywell & Keppie de boekhouding door en besloot dat Mackintosh, intussen vennoot, te weinig inkomsten binnenbracht. Na zijn ontslag keerde hij nooit meer in Glasgow terug. In Londen ontwierp hij enkel nog textielprints en meubels. Hij overleed in 1928.
Toch was zijn oeuvre nog niet voltooid. In 1900 schreef het Duitse Zeitschrift für Innendekoration een ideeënwedstrijd uit voor een huis voor een kunstliefhebber. Met het oog op een internationale doorbraak perste Mackintosh er alles uit. In 1989 vond een ingenieur uit Glasgow de tekeningen terug, nam een hypotheek op zijn woning en besloot ze te realiseren. ‘House for an Art Lover is gebaseerd op veertien plannen’, zegt James Winnett, ‘terwijl je er vierhonderd nodig hebt. We hebben er zo veel mogelijk informatie uitgehaald en alles volgens Mackintosh’ maten uitgevoerd.’


Raamklinken in het theehuis. rachel keenan

Het huis is gigantisch en het heeft, zoals de buitenhuizen Hill House en Windyhill House, een lichtgrijze cementgevel. De eetkamer, in grijsblauw noorderlicht, is met zwarte lambrisering uitgewerkt met daarboven een wit tongewelf. Bovenaan spreiden gebeeldhouwde vogelkoppen hun vlerken open tot een balustrade. Alleen al de deur openen naar de belendende muziekkamer is verbijsterend: ze is volledig in wit uitgewerkt en warm zuiderlicht spat je tegemoet. ‘Hoffmann kende de plannen, hij attendeerde Mackintosh op de wedstrijd’, zegt Winnett. ‘We denken dat deze plannen invloed hadden op Hoffmanns ­Palais Stoclet in Brussel. Alles aan House for an Art Lover is gereconstrueerd. Bezoekers mogen plaats­nemen aan de tafel of in het theesalon. Had u misschien nog graag even piano willen spelen?

http://www.standaard.be/cnt/dmf20180427_03487666 

samedi 28 avril 2018

Bonne nouvelle, une clef

Une clef ? Mais pour quelle serrure ? Et de quelle porte ? Qu'y a-t-il derrière la porte ? Que celle et celui qui a des yeux pour lire et des oreilles pour écouter comprenne ! Mais il reste que c'est une très grosse clef ! Et il m'a fallu soixante-huit ans pour le comprendre.

Saint Jean 14,7-14.
En ce temps-là, Jésus disait à ses disciples : Puisque vous me connaissez, vous connaîtrez aussi mon Père. Dès maintenant vous le connaissez, et vous l’avez vu. »
Philippe lui dit : « Seigneur, montre-nous le Père ; cela nous suffit. »
Jésus lui répond : « Il y a si longtemps que je suis avec vous, et tu ne me connais pas, Philippe ! Celui qui m’a vu a vu le Père. Comment peux-tu dire : “Montre-nous le Père” ?
Tu ne crois donc pas que je suis dans le Père et que le Père est en moi ! Les paroles que je vous dis, je ne les dis pas de moi-même ; le Père qui demeure en moi fait ses propres œuvres.
Croyez-moi : je suis dans le Père, et le Père est en moi ; si vous ne me croyez pas, croyez du moins à cause des œuvres elles-mêmes.
Amen, amen, je vous le dis : celui qui croit en moi fera les œuvres que je fais. Il en fera même de plus grandes, parce que je pars vers le Père. »
et tout ce que vous demanderez en mon nom, je le ferai, afin que le Père soit glorifié dans le Fils.
Quand vous me demanderez quelque chose en mon nom, moi, je le ferai. »

tout un programme, mais qui ose le faire ?

‘Schop de mensen tot ze een geweten hebben,’
Louis-Paul Boon


 The only thing necessary for the triumph of evil is for good men to do nothing.’
Edmund Burke, philosophe anglais, critique de la Révolution Française



C'est pourquoi il faut se méfier des "braves gens qui ne veulent pas d'ennuis" ; en dépit de la parenté de brave avec bravoure, il ne faut pas de courage pour faire partie de ces "braves gens". Même s'ils préfèrent ne pas le savoir, ils ont beaucoup à se reprocher ; les vrais salauds sont parmi eux.
Je pense à l'effondrement de l'épouse de Franz Stangl, le commandant de Treblinka, bonne catholique, lorsque Gitta Serenyi lui a demandé longtemps après les faits, comment elle avait pu concilier ses convictions avec l'activité de son mari, qu'elle avait préféré ne pas examiner.

"Pour que triomphe le mal il ne suffit que d'une chose : l'inertie des braves gens."

mardi 24 avril 2018

La juste proportion entre le salaire le plus élevé et le salaire le plus bas

COLUMN

De dictatuur van het nieuwe normaal

‘Sociaaleconomische tegenstellingen worden nauwelijks nog geregistreerd.’  Jimmy Kets
2,15 miljoen euro. Zoveel verdiende de ceo van een uit de kluiten gewassen beursgenoteerde Belgische onderneming vorig jaar. Lekker boeren is dat, want in vergelijking met 2016, een stijging van 13 procent. De modale Belg werd met ruim 10 procentpunt geklopt en kreeg slechts een extraatje van minder dan 3 procent. Eerlijk? Het land werd alleszins een stuk ongelijker en de kloof tussen arm en zeer rijk groter. Het totale salaris van onze ceo’s ligt nu bijna tien keer hoger dan dat van de eerste minister en bijna vijftig keer hoger dan het gemiddelde ­brutoloon in hun bedrijven. Hoeveel keer het hoger ligt dan de laagste lonen, is onbekend. Allicht schommelt het rond de 100. Dat de betrokken ceo’s 200 keer meer op zak steken dan een ­alleenstaande leefloner die op jaarbasis met 10.712 euro moet rondkomen, is ook het signaleren waard.
In een beetje gezonde democratie verwacht je dat zulke cijfers discussie, zelfs polemiek uitlokken. Nee dus. Geen enkele ceo vond het nodig de goe­gemeente uit te leggen waarom hij het vijftigvoudige van zijn werknemers incasseert. Is dit arrogantie? Niet nood­zakelijk, misschien bestaan er niet eens goede argumenten voor zo’n enorme loonkloof en kunnen ceo’s alleen aanvoeren dat het in de VS veel erger is. Al even bizar is dat die cijfers in de publieke opinie nauwelijks een rimpeling veroorzaakten. Geen zure tweets, geen verontwaardigde perscommuniqués, geen grimmige quotes van verbolgen partijvoorzitters. Geen twijfel mogelijk, dit moet het nieuwe normaal zijn.
Hoe totaal anders was de publieke commotie rond Aron Berger. De weigering van de chassidische jood om een vrouwenhand te schudden, was goed voor een driedaagse mediastorm (DS 19 april). Iedereen gaf present: het ­Twitterkanon, de partijvoorzitters, de commentatoren. Een schier eensgezind land in de afwijzing van de politieke integratie van de orthodoxe jood. Nog maar eens het nieuwe normaal.
Wat als Aron Berger geen jood, maar een vreedzame moslim was? Je durft er nauwelijks aan te denken
Zelfs de staatssecretaris voor Armoedebestrijding en Gelijke Kansen scherpte haar pennetje. Om maar te zeggen dat Zuhal Demir (N-VA) de gelijke kansen wel heel erg vernauwt. Stuitende in­komensongelijkheid komt niet op haar radar, afwijkend gedrag en ideeën daarentegen sabelt ze onmiddellijk neer. Wat als Aron Berger geen jood, maar een vreedzame moslim was? Je durft er nauwelijks aan te denken … Het zegt veel over het politieke en ideologische klimaat. Sociaaleconomische tegenstellingen worden nauwelijks nog geregistreerd en indien wel, steeds geminimaliseerd. Maar de culturele wrijvingspunten worden voortdurend op scherp gezet. Als je hoort dat sommigen bij de geweigerde hand over een negatie van het cultuurchristendom beginnen te fabuleren, weet je dat er reden tot verontrusting is.
Je kunt er moeilijk omheen dat de ‘cultuuroorlog’ die het rechtse populisme al meer dan twintig jaar oppookt, de wind in de zeilen heeft. Het is erin geslaagd om alles wat met identiteit te ­maken heeft tot staatszaak op te kloppen en er de publieke opinie voor te mobiliseren. En het valt op, omdat het debat steeds meer een symbolenstrijd wordt die steeds minder ruimte laat voor rationele argumenten, dat verruwt de discussie. Daar hebben de promotoren van deze oorlog weinig problemen mee. Als het helpt om de zo begeerde culturele hegemonie te veroveren, is er bij hen geen bezwaar tegen een flinke scheut emotie en irrationaliteit. Essentieel is de thematische shift: weg van de sociaaleconomische tegenstellingen, prioriteit voor de identitaire confrontatie. Daarom worden de inkomens- en vermogensverschillen systematisch uit het gelijkheidsidee gefilterd en worden gebruiken en etiquettekwesties tot ankerpunten van onze identiteit opgetild. Onvermijdelijk kom je dan in een sfeer terecht waar vooral geblaft wordt en waar de zorg voor wat Patrick Loobuyck de ‘redelijke accommodatie’ noemt, niet meer haalbaar is, zelfs niet meer gewenst wordt.
Hoe meer het identiteitsdebat door symbolen wordt vergiftigd, hoe groter de kans op ontsporing en groeiende onverdraagzaamheid. Het feit alleen dat begrippen als ‘cultuurchristendom’ van stal worden gehaald, is een signaal dat deze discussie met donkere demonen flirt. Er was een tijd dat koningen en kerkvorsten beslisten wat er gedacht en hoe er gehandeld moest worden, en dat ketters en andersgelovigen vernietigd moesten worden. Niemand sprak toen over cultuuroorlogen, wel over godsdienstoorlogen, wat tenminste het voordeel van de duidelijkheid had. Uit puur zelfbehoud is Europa toen uit het carcan van het geharnaste en religieuze eenheidsdenken gebroken en werd, na nog een Honderdjarige Oorlog, de noodzaak van pluralisme en diversiteit ontdekt. Uit pure noodzaak, want dat was de enige uitweg voor het continent om te overleven.
Sindsdien zijn de gedachten vrij. Officieel tenminste, want we blijven het moeilijk hebben met andersdenkenden en andersgelovigen die zeggen wat wij afkeuren of verafschuwen. Niemand is immuun voor de dictatuur van het eensgezind denken. Zelfs Etienne Vermeersch niet, die niet zo lang geleden in de fameuze nieuwkomersverklaring neerschreef dat de nieuwe migranten de fundamenten van onze samenleving moeten ‘aanvaarden’. Fout, het enige wat we kunnen vragen, is dat ze de wetten van het land naleven, niet dat ze ermee akkoord gaan of dat ze de uitgangspunten onderschrijven. Als de gedachten vrij zijn, geldt dat ook voor de ultra­orthodoxe jood of moslim. Zolang hij de wetten naleeft, mag hij zeggen en denken wat hij wil. Hoe oneens we het ook met hen zijn over gelijkheid van man en vrouw, homoseksualiteit of de seculiere samenleving, hij mag anders denken, andere normen en waarden koesteren. Wie meer ambieert en bovendien macht heeft, begeeft zich op het hellend vlak van de intolerantie.
Hier botst de verlichting met veel identiteitspolitiek. Botsen? Correcter is dat veel identiteitspolitiek de verlichting straal negeert. Ze ambieert immers wel eensgezindheid en een uniforme collectieve identiteit. Omdat ze geobsedeerd is door de mythe van het ene volk en de homogene natie wordt sociaal­economische ongelijkheid onder het tapijt geveegd en de culturele ongelijkheid volop in de verf gezet en systematisch bestreden. Vandaar de allergie voor afwijkend gedachtegoed, zeker als het van minderheden komt. Dat daarmee het wezen van de democratie, zelfs van de politiek, geweld wordt aangedaan, is evident. Er zijn nu eenmaal menings­verschillen die onoplosbaar zijn en waar je bijgevolg op een beschaafde manier mee moet leren samenleven. Zo bescheiden hoort democratie te zijn.

http://www.standaard.be/cnt/dmf20180420_03474937
Paul Goossens is Europajournalist. Zijn column verschijnt tweewekelijks op zaterdag.

lundi 23 avril 2018

"C'est avec de tels hochets que l'on tient les hommes." (Napoléon Bonaparte)

Légion d'Honneur

Un outil d'influence pas toujours mérité



Créé par Napoléon Bonaparte le 19 mai 1802, l’Ordre national de la Légion d’Honneur s’est substitué aux récompenses de l’Ancien Régime. Ce « hochet » est très vite devenu l’une des décorations les plus prestigieuses de la planète.
Les heureux récipiendaires reçoivent la Légion d'honneur en récompense de leurs mérites supposés et parfois pour des raisons inavouables. Mais il arrive que l'appréciation de ces mérites et de ces raisons évolue avec le temps au point que l'État en vienne à regretter l'octroi de cette décoration...
On l'a vu en 2017 quand le « légionnaire » Harvey Weinstein a été accusé de viols par le milieu hollywoodien et en 2018, quand les médias ont rappelé que Bachar al-Assad avait été lui-même honoré par le président Jacques Chirac du temps où la dictature syrienne était dans les bonnes grâces de la France et du camp atlantique.
Julien Colliat

La radiation, une sanction symbolique et rare

Bachar al-Assad et le président Chirac (DR)La radiation de l’ordre de la Légion d’honneur reste cependant exceptionnelle. Elle est automatique en cas de condamnation à une peine d’au moins un an de prison ferme. C’est ce qui est par exemple arrivé à Philippe Pétain, décoré grand-croix (grade le plus prestigieux de la Légion d’honneur), lorsqu’il fut condamné à mort en 1945, ou bien à Maurice Papon, fait commandeur par le général de Gaulle en 1961, à la suite de sa condamnation en 1998 à dix ans de prison pour complicité de crime contre l'humanité.
Mais il est également possible de retirer une décoration si on juge que le récipiendaire a commis un acte « contraire à l’honneur ». Parce que ce motif demeure subjectif, la radiation est très rarement appliquée et ne survient qu’à la suite d’un scandale retentissant.
L’un des plus vieux précédents remonte à 1922, date de la publication du roman licencieux La Garçonne (vendu à 1 million d’exemplaires !) et qui valut à son auteur, l’écrivain Victor Margueritte, une radiation de l’ordre de la Légion d’honneur.
Plus près de nous, on peut citer le cas de Claude Gubler, ancien médecin de François Mitterrand et auteur du livre Le Grand Secret, publié une semaine après le décès de l’ancien président de la République. Condamné pour violation du secret médical, il se vit retirer sa Légion d’honneur en 1999.
Autre exemple emblématique, celui du général Paul Aussaresses radié de l’ordre en 2005 en raison de sa condamnation pour apologie de crimes de guerre.
Avant 2010, le gouvernement français ne s’autorisait pas le droit de retirer leur décoration aux étrangers, ceux-ci n’étant pas membres de l’ordre de la Légion d’honneur. Mais la règle a changé suite à la condamnation pour trafic de drogue de l’ex-dictateur panaméen Manuel Noriega, élevé à la dignité de commandeur par le président Mitterrand en 1987.
Désormais, donc, les étrangers peuvent se voir retirer la décoration à partir d’un simple décret présidentiel. Plusieurs récipiendaires en ont déjà fait les frais tels le couturier britannique John Galliano, radié à la suite de propos antisémites ou encore le cycliste américain Lance Armstrong, reconnu coupable de dopage.
Le cas du président syrien Bachar el-Assad, accusé d’avoir utilisé des armes chimiques sur des populations civiles, est cependant différent. En effet, les décorations de chefs d’État n’ont pas pour but d’honorer les mérites personnels d’un dignitaire mais sont utilisées pour entretenir de bonnes relations avec son pays.
Ces Légions d’honneur diplomatiques résultent d’une initiative personnelle du chef de l’État, sans consultation du conseil de l’ordre de la Légion d’honneur. Elles ne sont d’ailleurs pas obligatoirement inscrites au Journal Officiel et leur remise ne donne généralement pas lieu à une cérémonie publique.
C’est dans ce cadre que le président syrien avait été fait grand-croix de la Légion d’honneur par Jacques Chirac en 2001. Alors âgé de 36 ans, il venait de succéder à son père, mort l’année précédente, et jouissait d’une image de réformateur. Jacques Chirac voulait en faire son protégé.
La République française ne s’est jamais gênée de décorer des dictateurs, chaque fois qu’elle estimait que c’était dans ses intérêts. Benito Mussolini fut ainsi élevé grand-croix de la Légion d’honneur en 1923 sur décision du président Alexandre Millerand.
Sous la Cinquième République, une multitude d’autocrates ont eu droit au ruban rouge. De Gaulle a ainsi décoré Nicolae Ceausescu, Valéry Giscard d’Estaing a fait de même pour Hafez el-Assad et Mitterrand pour Ben Ali et Manuel Noriega.
En 2006, Vladimir Poutine fut promu grand-croix en toute discrétion par Jacques Chirac. La diffusion des images par la télévision russe provoqua la vive indignation de l’association Reporters sans frontières qui dénonça une « caution choquante » à la politique du président russe.
Nicolas Sarkozy et François Hollande n’ont pas dérogé à la tradition. Le premier décora en catimini le président gabonais Ali Bongo, tandis que le second honora du ruban rouge le prince héritier d’Arabie Saoudite, Mohamed Ben Nayef. À l’exception de Noriega, condamné en 2010 à 10 ans de prison pour blanchiment d’argent issu du trafic de drogue, aucun chef d’État ne s’est vu retirer sa décoration.
Les polémiques sur la destitution des Légions d’honneur attribuées à Assad et Weinstein auront une fois de plus mis en évidence les problèmes éthiques posés par les décorations civiles sensées récompenser ceux qui ont fait preuve de mérites éminents au service de la nation mais dont le prestige conféré est à lui seul générateur d’inévitables conflits d’intérêt. Ceux-ci apparurent au grand jour en 1887 lorsqu’éclata le scandale des décorations, affaire retentissante qui provoqua la démission du président de la République Jules Grévy.

Une Légion parfois peu honorable

Aujourd’hui encore, les soupçons de favoritisme resurgissent régulièrement en marge des grandes affaires politiques.
Lors de l’affaire « Woerth-Bettencourt », on apprit par exemple que Patrice de Maistre, gestionnaire de fortune de Liliane Bettencourt, avait été décoré de la Légion d’honneur en 2008 à la demande du ministre du Travail, Éric Woerth.
Quelques mois plus tôt, la femme du ministre avait été embauchée par de Maistre au sein de Clymène, structure financière chargée de gérer le patrimoine de Liliane Bettencourt. Idem dans l’affaire Fillon où il fut révélé que le milliardaire Marc Ladreit de Lacharrière, qui avait embauché Penelope Fillon à la Revue des Deux Mondes pour un travail ayant toutes les apparences d’un emploi de complaisance, avait été promu grand-croix de la Légion d'honneur sur un rapport de… François Fillon. Les exemples dans ce sens ne manquent malheureusement pas.
Ne devrait-on pas s’interroger une bonne fois pour toutes sur le sens de cette décoration qui, doit-on le rappeler, est régulièrement attribuée à des vainqueurs de compétitions sportives, à des « écrivains » condamnés pour plagiat, ou même, à titre posthume, à des victimes d’accident, comme ce fut le cas de l’équipage du Concorde qui périt lors du crash de l’an 2000.

Il y a honneur et honneur

En 2015, l’économiste Thomas Piketty, auteur du livre à succès Le Capital au XXIe siècle, déclina publiquement sa promotion au grade de chevalier. Depuis deux siècles, une foule de personnalités prestigieuses, de La Fayette à Brigitte Bardot, en passant par Pierre Curie, Monet, George Sand, Maupassant, Courbet, Littré, Marcel Aymé ou Maurice Ravel, ont refusé le prestigieux ruban rouge.
Certains déclinèrent la Légion d’Honneur par principe, au nom de la liberté, tels Jean-Paul Sartre qui refusa également le prix Nobel et un poste au Collège de France, ou bien Georges Brassens qui, de la même manière, ne voulut pas briguer un fauteuil, qui lui était pourtant réservé, à l’Académie française.
D’autres ont fait de leur refus de la décoration un acte politique à l’instar du philosophe Jacques Bouveresse, professeur au Collège de France, qui entendait protester contre la politique gouvernementale en matière d'éducation et de culture, ou bien de l’actrice Sophie Marceau qui dénonça la décoration du prince-héritier saoudien, Mohammed Ben Nayef.
Enfin, plusieurs promus ont également décliné la Légion d’honneur parce qu’ils s’en estimaient indignes, comme Honoré Daumier, Bernard Clavel ou Philippe Séguin qui la refusa arguant qu’elle aurait dû revenir à son père, mort pour la France en 1944.
Bonaparte aurait justifié la création de la Légion d’honneur en déclarant : « On gouverne les hommes avec des hochets ». Cette réflexion de fin psychologue résume parfaitement le problème ontologique posé par ce type de décorations, qui en raison de leur prestige social constituent un but à atteindre et peuvent par conséquent récompenser le contraire de ce qu’elles prétendent glorifier. Rappelons-nous à cet égard de cet échange entre le corsaire Robert Surcouf et un capitaine anglais qui lui reprochait :
- Vous autres Français, vous vous battez pour l’argent, tandis que nous Anglais nous nous battons pour l’honneur.
- Chacun se bat pour ce qui lui manque.
Leonid Brejnev (DR)Un adage dit : « Moins on a d’honneur, plus on court après les honneurs ». C’est malheureusement vrai. L’homme le plus décoré de l’Histoire fut probablement le funeste dirigeant soviétique Leonid Brejnev qui affichait sur son uniforme pas moins de 120 décorations, dont le prestigieux ordre de la Victoire, alors qu’il n’avait été que commissaire politique durant la Seconde Guerre mondiale. Quant à Maurice Papon, malgré sa condamnation pour complicité de crime contre l’humanité, il continua à arborer publiquement sa Légion d’honneur et fut même enterré avec elle.
Il est difficile de donner tort à Jules Renard lorsqu’il écrivait : « En France le deuil des convictions se porte en rouge et à la boutonnière. »

HERODOTE Emmanuel Todd sur la relation Russie - Etats-Unis 18 avril 2018

18 avril 2018

Todd : « Washington et Moscou nous refont la guerre du Péloponnèse »


L'historien 


Emmanuel Todd revient quatre ans après sur les tensions entre le camp atlantique et la Russie. Il voit dans la « russophobie » occidentale un symptôme du malaise de nos démocraties...
Herodote.net : Emmanuel Todd, il y a quatre ans déjà, en 2014, vous avez évoqué le rétablissement spectaculaire de la Russie, à travers ce qui vous tient le plus à cœur, les indicateurs humains, mortalité infantile, éducation etc. Restez-vous sur cette impression ?
Emmanuel Todd : Je confirme l’essentiel. La Russie a retrouvé une certaine stabilité et une forme de sécurité sociale : le taux de suicides et d’homicides s’y est effondré. La fécondité est un peu remontée – quoiqu’elle semble repartie à la baisse depuis peu…
Le pays est aussi revenu à parité avec les États-Unis en matière de technologies militaires, grâce à son excellent niveau éducatif. De fait, la Russie se trouve être la seule puissance d’équilibre face aux États-Unis sur le plan militaire.
Herodote.net : L’actualité internationale, au moins en Occident, tourne depuis plusieurs semaines autour de la tentative d’empoisonnement d’un agent double et de frappes ciblées en Syrie suite à l’emploi de gaz de combat par le régime de Damas. Va-t-on vers un affrontement entre la Russie et le bloc atlantique ?
Emmanuel Todd : Ce qui me rassure, c’est qu’en fait, il ne s’est rien passé de sérieux ! Laissons de côté l’affaire de l’espion Skripal, qui a quand même un peu les apparences d’une « fake news » [bobard] à la Colin Powell.
En Syrie, les Occidentaux, de concert avec les Russes, se sont contentés d’envoyer quelques « pétards » sans conséquence. Ni les uns ni les autres ne voulaient prendre le risque de mettre à l’épreuve leurs armes dernier cri.
Les Russes disposent d’un système anti-missiles S400 qui est sans doute le meilleur système de défense sol-air du monde. Ils l’ont déjà vendu à la Chine, à l’Algérie et même à la Turquie, pourtant membre de l’OTAN.
Imaginez le coup de poker s’ils l’avaient employé ce 14 avril ! Soit ils détruisaient tous les missiles de Washington et de ses vassaux et c’en était fini de l’imperium américain. Soit ils échouaient et les États-Unis n’avaient plus personne en face d’eux pour contenir leur hubris.
Herodote.net : Pouvions-nous pour autant laisser le régime d’Assad impuni ?
Emmanuel Todd : Assad est une brute, mais si, malgré ses crimes, il a pu se maintenir au pouvoir, c’est qu’il répondait aux aspirations d’une bonne partie de la société syrienne.
Comme anthropologue, je m’intéresse aux systèmes familiaux de la Syrie. J’ai pu ainsi observer que les régions où la fécondité est la plus basse, où il y a moins de mariages entre cousins, où les femmes ne sont pas toutes enfermées… sont celles qui sont tenues par le régime, sunnites aussi bien qu'Alaouites. Et les régions rebelles sont à l’opposé celles où le statut de la femme est le plus archaïque, où les mariages entre cousins et le taux de patrilocalité sont de loin les plus élevés.
En d’autres termes, si les Russes ont gagné cette guerre, c’est parce que, comme les Iraniens, ils étaient, d’un point de vue anthropologique, compatibles avec leur allié.
Et si nous l’avons, quant à nous, perdue, c’est parce que nous avions choisi des alliés à l’opposé de nos valeurs. Il ne faut pas s’étonner de voir aujourd’hui certains de ces prétendus démocrates se retourner contre nous… Même chose avec l’Arabie Séoudite et les émirats, qui sont, en matière de mœurs, les pays les plus éloignés de nous et les plus inefficaces en termes de dynamique éducative et culturelle.
En face de ces constantes anthropologiques, que peuvent quelques missiles ?...
Herodote.net : Dans ces conditions, une fois que sera soldée la guerre de Syrie, pouvons-nous espérer une forme de détente ?
Emmanuel Todd : Malheureusement, je ne la vois pas venir, au moins dans la presse anglo-saxonne et française. Cette presse est littéralement devenue folle. Elle entretient ses lecteurs dans la vision d’une Russie hyperpuissante, menaçante, tentaculaire, totalitaire. C’est une vision hallucinatoire.
Herodote.net : Vous n’y croyez pas ?
Emmanuel Todd : Bien sûr que non. La Russie a une démocratie autoritaire, c’est-à-dire que Poutine a été régulièrement élu et bénéficie incontestablement du soutien d’une majorité de Russes. Cela ne l’empêche pas de vouloir contrôler la communication et de se montrer souvent brutal.
Herodote.net : Mais tout de même… Le pays a aussi une puissance militaire indéniable. N’y a-t-il pas lieu d’en avoir peur ?
Emmanuel Todd : Au contraire, cette puissance devrait nous réjouir !
En premier lieu, il faut relativiser les choses. La Russie a un peu plus de 140 millions d’habitants, c’est-à-dire sept ou huit fois moins que le bloc atlantique ! Son poids économique est aussi très modeste. Elle doit avec cela défendre un territoire plus vaste qu’aucun autre.
Peu peuplée et trop pauvre, sans rien de comparable à l’ancienne URSS, la Russie actuelle n’a pas de prétention hégémonique, à la différence des États-Unis. Mais sa puissance militaire défensive permet de contrebalancer la puissance américaine.
Les Américains eux-mêmes devraient s’en féliciter en vertu de leurs principes constitutionnels d’équilibre des pouvoirs. D’un point de vue libéral, c’est plutôt une bonne nouvelle. Il n'est pas bon en effet qu’un seul pays au monde, les États-Unis, puisse faire ce qu’il veut sans rencontrer d’opposition... Mais n'exagérons rien, la Russie n'est pas l'équivalent géopolitique de la Cour Suprême !
Herodote.net : L’agitation autour de la Russie vous paraît donc infondée. Ne signifie-t-elle donc rien ?
Emmanuel Todd : Loin de là. En fait, elle me paraît très lourde de sens ! Pas sur la Russie mais sur nous-mêmes... Elle témoigne de l’état de fébrilité incroyable dans lequel sont aujourd’hui plongées les trois pays qui ont inventé la démocratie moderne : l’Angleterre, les États-Unis et la France.
La Guerre du Péloponnèse m'a aidé à formaliser cette idée. Ce récit d’Histoire a été écrit il y a 2500 ans par Thucydide. Il met en scène un conflit entre la ligue du Péloponnèse, autour de Sparte, et la ligue de Délos, autour d'Athènes, entre 429 et 404 [av. J.-C.].
D’ailleurs, il faudra que vous m’expliquiez un jour pourquoi votre site d’Histoire a choisi de se référer à Hérodote plutôt qu’à Thucydide ?
Herodote.net : C’est simplement qu’Hérodote est plus connu et plus facile à orthographier que Thucydide...
Emmanuel Todd : Je reviens donc à celui-ci. Thucydide met en lumière l’articulation entre la guerre et des principes politiques opposés.
Athènes est une puissante cité gouvernée de façon démocratique. Aujourd'hui, on dirait plutôt « populaire » parce que le peuple y a le dernier mot. Ses visées hégémoniques l'entraînent au conflit avec Sparte, une cité plus modeste et de nature oligarchique, qui tire sa réputation de la discipline de son armée.
La guerre conduit à une reconfiguration des alliances avec d'un côté les cités oligarchiques, de l'autre les cités démocratiques. Mais elle réactive aussi les rivalités politiques au sein même des cités. Athènes connaît en 411 [av. J.-C.] un coup d'État oligarchique encouragé par Sparte...
La situation actuelle a quelques similitudes avec la guerre du Péloponnèse et quelques différences aussi. La Russie, c'est Sparte bien sûr, mais avec un gouvernement de type « populaire ». Les États-Unis, c'est Athènes.
Avec l'élection de Trump, les États-Unis sont passés de l'oligarchie dans le camp « populaire », tout comme l'Angleterre avec la victoire du Brexit. Cela dit, le camp oligarchique n'a pas baissé les bras, notamment en politique extérieure. Aux États-Unis, Trump doit souvent obéir à l'establishment diplomatique. Au Royaume-Uni, le conflit semble aussi se passer dans le cerveau même de Theresa May ou de Boris Johnson qui gèrent le Brexit mais restent profondément russophobes.
Deux conflits apparentés que séparent vingt-cinq siècles
La guerre du Péloponnèse (429-404 av. J.-C.), racontée par Thucydide, a quelques similitudes avec la simili-« guerre froide » actuelle.
Guerre du Péloponnèse
Athènes
Sparte

simili-« guerre froide »
États-Unis
Russie

Démocratie
Oligarchie


Oligarchie
« populaire »

Offensif
Défensif


Offensif
Défensif








Des trois démocraties, la France est la plus fermée, avec un parti populaire marginalisé et en perdition culturelle. Elle a cessé d’être une démocratie représentative au sens classique depuis le référendum de 2005 sur le traité constitutionnel, quand les oligarques ont bafoué le vote populaire. De ce point de vue, l’Angleterre mérite un bon point car le Brexit a été malgré tout accepté par le parti conservateur par respect du vote populaire.
Mais partout, l’affrontement entre le parti oligarchique et le parti populaire a un caractère complètement passionnel et désordonné, avec un parti oligarchique viscéralement russophobe et prêt à toutes les extrémités pour faire la peau à Poutine, l’empêcheur de fricoter en rond.
Le parti populaire est protectionniste. Il veut un État qui s’intéresse à la protection de ses citoyens et des nations qui se referment un peu sur elles-mêmes pour les protéger tout en continuant à commercer raisonnablement. La Russie est peut-être devenue un modèle pour ces gens, bien plus que la Chine qui est un régime franchement policier qui a mis sa force de travail au service du capitalisme occidental.
Le pauvre chercheur que je suis y perd son latin... ou plutôt son grec. Quand Trump tente de protéger l’industrie et la classe ouvrière contre la concurrence débridée de la Chine, toute la presse dite progressiste dit qu’il est fou ! Et quand il fait des choses proprement folles comme de promettre par tweet des missiles sur la Syrie, où, de toute façon, le camp américain a perdu la guerre, les mêmes le jugent formidable !
Herodote.net : Voyez-vous plus de cohérence à l’Est, du côté de la Russie de Poutine ou encore de la Hongrie d’Orban ?
Emmanuel Todd : Absolument. Poutine et son ministre des Affaires étrangères Lavrov ont une vision du monde dépassionnée, car inspirée par l’Histoire et par la raison d’État.
Quant à la Hongrie, c’est une nation de grande culture et très attachée à son indépendance, que ce soit face aux Turcs, aux Autrichiens ou aux Soviétiques. Elle a été le seul pays à se soulever les armes à la main contre les Soviétiques en 1956. C’est elle aussi qui a fait tomber le système en 1989, en ouvrant ses frontières aux Allemands de l’Est.
Le patriotisme des Hongrois fait ressortir l’absence de patriotisme de nos propres élites européistes, mondialistes et néolibérales. En fait, quand on parle de la Russie ou de la Hongrie, on parle de nous, de notre crise, de notre déficit de valeurs spirituelles comme de notre déficit de sentiment national. Sans sentiment national, il n’y a pas de projet, on est à la dérive, on devient agressif, on lance des missiles comme des couples qui se jettent des assiettes à la figure et n’arrivent plus à se parler.
Propos recueillis par André Larané pour Herodote.net, le 18 avril 2018

samedi 21 avril 2018

VERONTRUSTEND BOEK SCHETST SCHADELIJKE GEVOLGEN VAN SLAAPTEKORT

Het wonder dat we dagelijks saboteren

In ‘Slaap’, een spannend en verontrustend boek, roept Matthew Walker ons op het recht op een goede nachtrust op te eisen.



Over remslaap, non-remslaap en dutjes Lees verder onderaan
PETER VANTYGHEM

Zo onbegrepen was slaap vroeger dat hij als een blunder van de natuur werd gezien. Maar, zegt Matthew Walker, door een lawine aan ontdekkingen de voorbije twintig jaar weten we vandaag hoeveel belangrijke functies de slaap wel heeft. En beseffen we beter dan ooit wat voor een puinhoop we er in minder dan een eeuw van gemaakt hebben.

Walker doceert neurowetenschappen en psychologie aan de University of California in Berkeley. Hij leidde tientallen brein­onderzoeken in zijn Sleep and Neuroimaging Laboratory. Why we sleep, vanaf volgende week in een Nederlandse vertaling te lezen als Slaap, is zijn eerste boek. Het is een schokkend werk en een terechte bestseller in de Verenigde Staten. Het zou verplichte lectuur moeten zijn voor alle bedrijfsleiders, leerkrachten, politici, ouders en in­fluencers. Voor iedereen gewoon.

Planeet Slaap


Het boek pakt zowat alle vragen aan die u en ik ons stellen en voegt daar heel wat onderzoeks­resultaten aan toe. Dat maakt het werk spannend. Walker bekijkt slaap in grote mate vanuit het brein. Wat daar gebeurt, onder invloed van de omgeving, beschrijft hij alsof het brein een computer is, of een drukke verkeersader. Hij analyseert hoe de samenleving de slaap fnuikt en hoe een ingekorte slaap ons beschadigt. Dat chemische proces is zo boeiend verteld dat je vergeet dat de auteur een maatschappelijke kanker blootlegt. En dat je als lezer ontzet hoort te zijn.

Wie zijn slaap verwaarloost, manipuleert zijn genetica, ruïneert zijn gezondheid en wordt een gevaar
Walkers enige zwakheid is dat hij ervan uitgaat dat velen van ons niet genoeg (minder dan zeven uur) slapen. Daarover bestaat geen uitsluitsel. Toch zal onze utilitaire visie op slaap ons aansporen om veeleer te weinig dan te veel te slapen.

In de eerste hoofdstukken overloopt Walker hoe de slaap werkt en wat de voordelen zijn. Die inzichten over remslaap, melatonine, licht en duister ... vertelt hij met zo’n empathie dat ze als nieuw klinken. Hij is een goeie leraar. Hij spreekt de lezer aan, vertelt anekdotes, vergelijkt overvloedig met dieren, vindt treffende vergelijkingen. Zijn gedetailleerde visie op het droomproces voelt aan alsof je een nieuwe planeet verkent.

Alzheimer en kanker


Hij maakt van het brein een fascinerende machine en van slaap een mirakel. Eén dat we in deze hightech­wereld dagelijks proberen te saboteren. Walker slaat ons in een tweede deel om de oren met tientallen helder beschreven onderzoeken en concludeert dat slaaptekort verandert wie we zijn en hoe we ons gedragen. Hij legt uit welke relatie alzheimer, kanker, dementie met slaap hebben. Wie zijn slaap verwaarloost, manipuleert zijn genetica, ruïneert zijn gezondheid en wordt een maatschappelijk gevaar.

De herkenbaarheid is groot. Iedereen weet dat je, na een slechte nacht, prikkelbaar bent. Iedereen weet stilaan dat alcohol de slaap aantast. In dit boek lees je nauwgezet hoe dat gebeurt, je begint je slaap te begrijpen. Dat helpt meer dan slaafs regeltjes navolgen.

Het boek waarschuwt dat de sluipende epidemie van slaap­tekort vandaag het grootste gevaar vormt voor de volksgezondheid. Er is een cultuurschok nodig opdat we het recht op een goede nachtrust zouden opeisen.

‘Slaap’ van Matthew Walker verschijnt op 24 april bij De Geus.

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Over remslaap, non-remslaap en dutjes
Breinonderzoek over de slaap en over slaapmoeilijkheden heeft volgens Matthew Walker vijf opvallende ­vaststellingen opgeleverd.
1. Elke dag geheugencrisis

Vraag: Hoe belangrijk is het om acht uur te slapen?

Matthew Walker: Slaap valt uiteen in ‘non-remslaap’, met vertraagde hersengolven en gespannen spieren, en in remslaap, met grote hersenactiviteit, ontspannen spieren en dromen. In de eerste vier uur van de slaap hebben we veel non-remslaap en korte stukjes remslaap, daarna komt er vooral remslaap.

Het belang daarvan is dat het brein tijdens de slaap probeert een evenwicht te vinden tussen het ­behoud van oude informatie en de opslag van nieuwe. In de eerste slaap­periode verwijdert het brein herinneringen die overlappen of overbodig zijn, en worden nieuwe klaargezet. In de tweede periode maakt de remslaap, met zijn dromen, dat nieuwe informatie geïntegreerd wordt. Dat gebeurt elke nacht opnieuw. Daarom is een volwaardige slaapronde van 7 tot 9 uur zo belangrijk.

Gevaar: Wie vroeg op moet en maar zes uur slaapt, verliest niet ‘een kwart van zijn slaap’, maar 60 tot 90 procent van de helende remslaap.

2. Slapen in twee fasen

Vraag: Is een middagdutje doen goed voor de gezondheid?

Matthew Walker: Mensen slapen niet zoals de natuur het bedoeld heeft. Onze moderne levenswijze heeft de slaapduur, de slaaptijd en het aantal keer dat we slapen fors verstoord. We slapen in één ruk van vaak minder dan zeven uur. Vroeger sliep men langer en deed men ’s middags een dutje.

Dat tweeledige slaappatroon is niet cultureel, maar biologisch bepaald. Daarom kennen mensen, ongeacht hun cultuur of locatie, nog altijd de ‘middagdip’. Dan vermindert de alertheid, als voorbereiding op het middagdutje. Sommigen lossen dat op met sterke koffie. In sommige culturen wordt het middagdutje nog in ere gehouden en leven de mensen langer. Een dutje van niet meer dan 15 minuten is positief.

Gevaar: Een onderzoek in Griekenland bij 23.000 personen die het middagdutje afschaften, wees uit dat daardoor de overlijdenskans door hartziekte met 37 procent toenam.

3. Aftakelende cellen

Vraag: Waarom slapen oudere mensen minder lang en diep?

Matthew Walker: Op latere leeftijd gaat zowel de kwantiteit als de kwaliteit van de slaap achteruit. Dat heeft te maken met de aftakeling van de hersenen. Uit neurologisch onderzoek blijkt dat ouderen een verlies van 70 procent diepe slaap ervaren in vergelijking met jonge volwassenen. En dat de hersendelen die het snelst aftakelen, dezelfde zijn als degene waaruit de diepe slaap ontstaat.

Beide waarnemingen houden met elkaar verband: de hersendelen waar de gezonde, diepe slaap wordt gegenereerd, zijn degene die het eerst en snelst aftakelen.

Gevaar: Minder diepe slaap leidt tot sneller geheugenverlies. Een slechte nachtrust speelt in grote mate mee bij het ontstaan van diabetes, ­depressie, beroertes, hart- en vaatziektes en alzheimer.

4. Emotionele roetsjbaan

Vraag: Waarom maakt een slechte nachtrust ons prikkelbaar?

Matthew Walker: Emoties ontstaan in de amygdala – die instaat voor de vlucht- of vechtreactie. Wie slaap onthouden wordt, reageert ­zowat 60 procent heviger op prikkels dan mensen die goed geslapen hebben. Het is alsof het brein bij slaap­tekort terugvalt op een ongeremd, primitief patroon. Dat kan extreme uitschieters in emoties vertonen, van heel vrolijk tot heel chagrijnig. Wie goed slaapt, reageert rustiger. De amygdala (de emotionele gaspedaal) wordt getemperd door de prefrontale cortex (de rem).

Gevaar: Vooral bij jongeren kan het heen en weer geslingerd worden tussen positieve en negatieve gevoelens tot zelfdodingsgedachten leiden.

5. Nachtelijke rillingen

Vraag: Wat is de beste temperatuur voor de slaapomgeving?

Matthew Walker: De temperatuur rond het lichaam en hersenen is de meest ondergewaardeerde factor die bepaalt hoe goed je in- en doorslaapt. Twee omgevingsfactoren geven het sein aan de hersenen om het slaaphormoon melatonine aan te maken: afnemend licht en een dalende temperatuur. Beide zijn een reactie op de zonsondergang. Die natuurlijke band is doorgesneden, we helpen de natuur nu door de kamer te verduisteren en de temperatuur te regelen met dekbedden en pyjama. Via de handen, voeten en het hoofd stoten we warmte af. De beste temperatuur voor een slaapkamer is 18,3 graden.

Gevaar: De meeste mensen slapen bij 21 graden of meer: dat is te warm om het brein duidelijk te maken dat het slaaptijd is. (vpb)

vendredi 20 avril 2018

Iossif Djougachtvili, dit Staline (1878 – 1953)


1949, fume une pipe Dunhill


dans le film : Adrian Mac Loughlin (c'est le même)

D'origine géorgienne (Tiflis), fils d'un cordonnier alcoolique et d'une mère couturière très pieuse.
Séminariste à 20 ans puis athée, braqueur de banques pour alimenter les caisses du parti, proche collaborateur de Lénine à qui il a succédé.
A fait régner la terreur dans toute l'union soviétique, jusque dans son entourage immédiat. Trois enfants : Iakov d'un premier mariage et Vassili et Svetlana Allilouieva. d'un second.

A supprimé progressivement la direction collégiale de l'URSS pour assumer seul tout le pouvoir. Aurait été sur le point d'éliminer Béria qui se serait par conséquent opposé à ce qu'on appelle un médecin. Aurait été empoisonné par Malenkov qui aurait mis de la warfarine dans son cognac (ragot ?).
Responsable de la mort d'environ 20 millions de concitoyens.

Mais personnage très paradoxal ; très cultivé d'après Simon Sebag Montefiore (bibliothèque de 20.000 livres, lus et annotés), il n'aurait pas été la brute mal dégrossie qu'on a longtemps décrite. Travailleur acharné (16 heures par jour), animé par la seule maîtrise du pouvoir, sans intérêt pour l'argent et le luxe qu'il aurait pu lui apporter.

The death of Stalin Premier article


NIKITA KHROUCHTCHEV (1897 – 1971)
Premier secrétaire du du Parti communiste d’union soviétique et président du conseil des ministres de 1953 à 1964

dans les faits


                                       Dans le film                                                                       
Taubman suggère que Staline avait probablement rappelé Khrouchtchev à Moscou pour faire contrepoids à l'influence de Gueorgui Malenkov et du chef de la sécurité Lavrenti Beria qui étaient largement considérés comme les héritiers de Staline91.
Deux citations intéressantes :
-        « Quand Staline dit danse, un homme sage danse92 »
-        « Les choses se passent mal pour ceux qui somnolent à la table de Staline93. »
A procédé à la déstalinisation (après s’être copieusement sali les mains dans les purges ordonnées par le « petit père des peuples »).
Un des meilleurs dirigeants de l’URSS.
Déposé au profit de Léonid Brejnev (comme premier secrétaire du parti communiste) et de Alexis Kossyguine (comme président du conseil des ministres).