mardi 8 mai 2018

The death of Stalin : les vrais et les nouveaux - à vous de les apparier

 Adrian Mc Laughlin (Stalin)
 
Lawrenti Beria 

Nikolaï Boulganine

 Steve Buscemi (Nikita Kroutchev)

Dermot Crawley (Kaganowitch) 

 Gerald Lepkowski (Leonid Brejnev)

 Jason Isaacs (Joukov)

 Jeffrey Tambor (Malenkov)

Gueorgui Joukov

 Lazar Kaganovitch

 Nikita Krouchtchov

 Giorgi Malenkov

 Michael Palin (Molotov)

 Anastase Mikoyan

Viatcheslav Molotov

 Paul Chahidi (Boulganine)

 Paul Whitehouse (Mikoyan)

 Simon Russels-Beale (Beria)

Yossip Varionovitch Dougachvili, dit Stalin

Bref mais certainement pas du Dalaï-Lama ; américain sans doute


"Il y a deux jours où l’on ne peut rien faire : hier et demain. "
 
J'ai abrégé et corrigé parce que c'était vraiment trop tarte ; il paraît que c'est du Dalaï Lama ;  pauvre homme, qu'est-ce qu'on ne lui fait pas dire quand même ! J''ai de sérieux doutes mais c'est intéressant.

dS 20180508 Nee leren zeggen tegen Orban ou "Munich éternellement"

Viktor Orban en Mateusz Morawiecki, de premiers van Hongarije en Polen. Hun landen nemen een loopje met de waarden van de EU.
Anadolu Agency

‘Nee’ leren zeggen tegen Orban

Polen en Hongarije spelen een gevaarlijk spel. Als de EU geloofwaardig haar waarden wil verdedigen, moet ze vechten tegen autoritarisme, schrijft Timothy Garton Ash.
Het Verenigd Koninkrijk hoopte uit de Europese Unie te kunnen stappen en toch alle voordelen van het lidmaatschap te behouden. Dat valt zwaar tegen, want je kunt nu eenmaal niet van twee walletjes eten. Of kun je dat wel? Twee landen geven het Verenigd Koninkrijk het nakijken.
Hongarije krijgt meer Europese subsidies per hoofd van de bevolking dan alle andere lidstaten, wat premier Viktor Orban niet belet om zijn nationalistische aanhang op te hitsen met aanvallen op Brussel. Polen speelt hetzelfde spel. Volgens de cijfers van de Europese Commissie werd in 2015-17 meer dan de helft van alle overheidsinvesteringen in Hongarije en Polen door de EU gefinancierd.
Ik was onlangs in de armste streken van Polen en overal zag ik wel een weg, een brug, een markt of een treinverbinding die met Europees geld werd gemoderniseerd. Dat belet de feitelijke leider van het land, Jaroslaw Kaczynski, niet om de onafhankelijkheid van de rechtbanken te ondermijnen, de openbare radio en televisie in propaganda-organen voor zijn partij te veranderen en het land te orbaniseren. Hij gaat nog niet zo ver als Orban, maar als het grootste Centraal-Europese land het autoritarisme van Hongarije overneemt, zullen de gevolgen voor heel de EU veel groter zijn.

Dictatuur

Dat is een fundamentele uitdaging voor iedereen die vindt dat de EU de waarden van de liberale democratie moet vertegenwoordigen: het pluralisme, de rechtsstaat en de vrije meningsuiting. Als de Unie die waarden niet in eigen huis verdedigt, kan ze die buiten haar grenzen niet geloofwaardig bepleiten.
‘Kan een dictatuur lid zijn van de EU?’, vraagt de politieke wetenschapper Jan-Werner Müller. Hongarije is natuurlijk nog geen dictatuur, maar de Europese Unie is niet in staat om Orban duidelijk te maken dat het genoeg geweest is. Ik twijfel er niet aan dat het Verenigd Koninkrijk een liberale democratie zal blijven als het de Unie verlaat. Maar Hongarije en Polen zullen lid blijven, terwijl ze geen liberale democratieën meer zijn.
De antiliberale populisten exploiteren de oude tegenstelling tussen het Europa van de waarden en het Europa van het geld. Die tegenstelling loopt als een rode draad door de eenmaking van Europa. De waarden worden verdedigd door de Raad van Europa, het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en tot op zekere hoogte door de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Het geld wordt vertegenwoordigd door de Europese Unie, die als een economische gemeenschap begonnen is. Al decennialang tracht men de waarden in die economische gemeenschap te injecteren. Dat werkt goed om het gedrag van landen die willen toetreden te beïnvloeden. Maar zodra een land als Hongarije lid is van de Unie, ontdekt het snel dat het min of meer straffeloos zijn zin kan doen.

Schaken tegen kickbokser

Wat kan de EU doen? Tegenover Polen heeft ze een ingewikkelde procedure gestart voor de aanpak van ‘systemische’ bedreigingen van de rechtsstaat, met onder meer sancties voor de schending van de verdragen. Dat is symbolisch belangrijk, maar stelt in feite weinig voor. Brussel speelt schaak tegen een kickbokser. De kickbokser wint.

De Europese Unie heeft voor het allereerst gebruikgemaakt van artikel 7 van het grondverdrag, wegens ernstige en aanhoudende schendingen van de fundamentele waarden door Polen. Artikel 7 maakt sancties mogelijk, tot en met de schorsing van het stemrecht in de interne besluitvorming van de EU, op voorwaarde dat alle andere lidstaten akkoord gaan. Wat ze niet zullen doen, want Hongarije zal Polen in de rug dekken en Polen Hongarije.
Er wordt meer en meer gedacht aan de koppeling tussen het geld dat Brussel uitdeelt en de eerbied voor de rechtsstaat. De EU-begroting 2021-2027 die de Europese Commissie vorige week heeft voorgesteld, bevat een interessante procedure: als het rechtsstelsel van een lidstaat ‘algemene tekortkomingen’ vertoont, kan de EU de geldkraan dichtdraaien. Die maatregel zou slechts een gekwalificeerde meerderheid van de lidstaten vereisen, zodat Polen en Hongarije geen veto zouden kunnen stellen. Bovendien zullen het Europees Bureau voor Fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie de corruptie in de aanwending van de EU-fondsen aanpakken. Dat is belangrijk, want Polen en Hongarije gebruiken Europese fondsen om politici te sponsoren en vriendelijke media en bondgenoten te belonen. Het buitensporig grote, gloednieuwe voetbalstadion aan de rand van Felcsut, Orbans geboortedorp, is daar een berucht symbool van.

Antisemitische posters

De voorstellen van de Commissie zijn welkom, maar het zal jaren duren voor ze gevolgen hebben. We hebben snellere maatregelen nodig, zoals de uitsluiting van Fidesz, de partij van Orban, uit de Europese Volkspartij (EVP), nog voor de Europese verkiezingen van volgend jaar. De EVP is de belangrijkste groepering van centrumrechtse partijen in de EU, met zwaargewichten als de Duitse kanselier Angela Merkel, de Spaanse premier Mariano Rajoy, de voorzitter van de Europese Commissie Jean-Claude Juncker en de voorzitter van de Europese Raad Donald Tusk.
Die politieke groepen worden verondersteld een centrale rol te spelen in de interne democratisering van de Europese Unie. Maar de EVP onderneemt niets tegen een partij die niet alleen in eigen land de liberale, pluralistische democratie ontmantelt maar ook in de recente verkiezingen, campagne heeft gevoerd met een anti-Brussels, xenofoob programma en zelfs met impliciet antisemitische posters tegen George Soros en zijn zogenaamde plan om Hongarije met moslimmigranten te overstromen.
Wanneer ik vrienden in de centrumrechtse partijen daarop aanspreek, zeggen ze: ‘Ja, maar het is beter dat we Orban erbij houden, want zo kunnen we hem beïnvloeden.’ Op die manier blijven ze de klassieke illusies van de concessiepolitiek cultiveren: ze spelen schaak tegen een kickbokser. Daar is geen tijd meer voor. Het gevaar is te dringend. Als Polen het Hongaarse voorbeeld volgt, zal een groot deel van Centraal-Europa bezwijken voor het sluipende autoritarisme – en zal dat binnen de Europese Unie gebeuren.

http://www.standaard.be/cnt/dmf20180507_03502513

Engagement is een wetenschappelijke kerntaak

Met Carta Academica is een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan het debat over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van academici (DS 4 mei). Terecht roepen de initiatiefnemers op tot meer engagement en de actieve rol van academici daarbij. Tegelijk volstaat die oproep niet en is er ook meer nuance nodig.

Maatschappelijk engagement heeft wel degelijk een plaats binnen de academische wereld, maar de omgeving waarbinnen academici werken, remt dat eerder af dan dat het ertoe aanzet. Dat heeft alles te maken met het huidige financieringsmodel: universiteiten worden vooral beloond voor hun plaats in rankings op basis van kwantificeerbare producten zoals doctoraten, patenten en wetenschappelijke papers. Dat vertaalt zich logischerwijze in een specifieke druk op de mensen die er werken: zij worden aangestuurd om output te produceren die tegemoetkomt aan de criteria van het financieringsmodel. Om dat alles te realiseren, gaat een groot stuk van de dagtaak van academici op aan de zoektocht naar externe financiering, waaronder steeds meer private middelen.
Natuurlijk moet je om te slagen als academicus in de eerste plaats een uitmuntend wetenschapper zijn. Maar wie dat niet weet te combineren met doorgedreven management, krijgt het zeer lastig om zich staande te houden. Om een aanstelling te krijgen en daarna succesvol door te groeien, moet je gericht zijn op het efficiënt uitbouwen van een financieel rendabele onderzoeksgroep. 
Maatschappelijk engagement past maar moeilijk in dat plaatje. De reden daartoe is eenvoudig: je stopt er veel tijd in, maar het helpt je cv niet vooruit, want het telt niet of nauwelijks mee in je beoordeling. En er komt een hoop gedoe bij te pas, zoals scheldmails en leren omgaan met twitter­trollen. Dus passen velen ervoor of raken ze ontmoedigd.

Voor alle duidelijkheid: natuurlijk zijn er hooggespecialiseerde publicaties nodig en congressen om met vakgenoten kritisch van gedachten te wisselen. Dat de universiteiten dat luik van het wetenschappelijke werk hebben aangezwengeld, is een prima zaak. Maar de bespreking van die onderzoeksresultaten blijft vaak beperkt tot een zeer kleine groep mensen, en dat is problematisch. Het moet daarom evenzeer een kerntaak zijn van elke academicus om gespecialiseerde kennis uit te leggen aan mensen die zelf niet de luxe of de tijd hebben om zich erin te verdiepen.

Zolang de academische context niet verandert, blijft maatschappelijk engagement van academici gedoemd om te opereren in de marge van het universitaire leven, als vrijwilligerswerk zeg maar, na je uren, voor zover er in deze job überhaupt sprake is van zoiets als ‘na de uren’. Terwijl het een intrinsiek onderdeel van de job zou moeten zijn. Tenslotte ben je lid van een publieke instelling en het minste wat de samenleving mag verwachten, is dat die instelling in staat is de verworven kennis op de een of andere manier terug te geven. Zoiets heet democratie.

Kennis vertalen en zich mengen in een publiek debat is niet eenvoudig. Het woord vulgarisering is daarom onterecht. Denk aan een column als deze: in 750 woorden een complex thema uitleggen is geen sinecure en vraagt evenveel wetenschappelijke kunde als spreken op een internationaal congres. Of denk aan spreken voor een zogeheten lekenpubliek. Zelf beschouw ik het als een eer en een essentieel onderdeel van mijn werk als academicus. Daar komen vaak de meest interessante maar ook moeilijkste vragen aan bod. Dan gaat het niet over een detaildiscussie van je onderzoeksmethode, maar om fundamentele vragen, zoals ‘en wat zijn we daar nu in feite mee, met die filosofie?’ Een terechte, maar moeilijke vraag.

Mijn motto in deze is eenvoudig: wie er niet in slaagt wetenschappelijke inzichten uit te leggen aan iemand zonder voor­kennis, heeft het zelf niet goed begrepen en is bijgevolg (nog) geen goed academicus. Onderwijs is wat dat betreft een mooie test: als ik een half auditorium de wenkbrauwen zie fronsen, dan weet ik dat mijn uitleg te snel is gegaan, of dat ik te weinig voorbeelden heb gebruikt om iets helder te maken. Dan ligt de fout bij mij en niet bij het zogeheten onwillige publiek.

Moeilijk doen, is het makkelijkste wat er is. Dan sluit je je op in je vakjargon en klink je geleerd, maar een verdienste zou ik dat niet noemen. De kunst is om wetenschappelijk accuraat te blijven en toch je jargon transparant te maken. Dan open je de ruimte van het denken. Als dat lukt, wordt het pas echt interessant, omdat je dan anderen in staat stelt om mee in gesprek te treden, zodat je zinvolle reacties kunt terugkrijgen. Maar hoeft het nog gezegd: dat alles vraagt veel tijd en die is er niet of nauwelijks. Zolang er geen structurele erkenning komt van die academische kerntaak, zal dat zo blijven, alle charters ten spijt. Maatschappelijk engagement van academici moet tot stand komen dankzij en niet ondanks de job.

http://www.standaard.be/cnt/dmf20180507_03502511 

lundi 7 mai 2018

dS 20180507 Mai 68, "un pétard mouillé" ou "la fête des grandes gueules"

Een politieman verlaat gewond het strijdperk tijdens studentenprotest in Parijs.
 afp

Mei ’68 was een rimpel, geen revolutie
De hele jaren zestig zijn een overroepen periode, vindt Dirk Barrez. Ze leverden niets op dat in de buurt komt van wat vroegere generaties presteerden.

Wat? De opstandige generaties van eind negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw kunnen een oneindig rijker palmares voorleggen dan de 68’ers.
De meest overroepen historische periode? Dat is wellicht mei ’68 als zogenaamde ijkpunt van de al even zogenaamd ‘roerige’ jaren zestig. Het blijft verbazingwekkend hoeveel belang eraan wordt gehecht. Want ietwat breder kijken onthult snel hoe relatief en zelfs beperkt de reële invloed was. Zelfs de meest milde beoordeling kan er niet omheen dat maar heel weinig verbeelding aan de macht is gekomen.
Die jaren zestig zouden jaren geweest zijn van grote opstandigheid en van breken met de klassieke structuren. Zou het? Die breuk valt echt wel mee. Of tegen, naargelang het gezichtspunt.
Wat opstandigheid betreft kunnen die jaren zestig al helemaal niet tippen aan wat opstandige generaties aanrichtten in de jaren twintig, dertig en veertig. Grote delen van de bevolking braken toen radicaal met de klassieke politieke en maatschappelijke bewegingen, maakten in vele landen zelfs korte metten met de democratie en cultiveerden een haat tegen andersdenkenden en ‘volksvijanden’ die culmineerde in het meest verschrikkelijke geweld. Zeker, dat was allemaal hoogst ongezellig. Maar vooral, en jammer genoeg, was hun breekactiviteit en ‘tegencultuur’ oneindig veel ingrijpender dan wat de zogenaamd opstandige jaren zestig generaties klaarspeelden.
De onmacht en mislukkingen van de jaren zestig maakten de weg vrij voor een al te eenzijdig economisch marktdenken
Samen met protest en verzet zouden de jaren zestig die van een nieuwe, bevrijdende wereld zijn die eraan kwam. Er is veel gedroomd én geanalyseerd in die jaren, heel zeker, en het loont – deels – om er kennis van te nemen. Mens en samenleving zouden zich kunnen ontworstelen aan al te dominante en versmachtende economische en staatsstructuren, ontvoogding lonkte op talloze vlakken. Alleen is er bitter weinig gerealiseerd. De toets met de werkelijkheid is bikkelhard en vooral ontluisterend.
De opstandige generaties van eind negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw kunnen een veel rijker palmares voorleggen. Ze beleefden de doorbraak van een hernieuwde industriële revolutie met de komst van de trein, elektriciteit, telefoon, radio, auto. Ze forceerden de doorbraak van het algemeen stemrecht, de achturendag, het minimumloon, betaalde vakantie en de toegang tot onderwijs, gezondheidszorg, media en cultuur. Ze vochten voor de deling van macht en welvaart, en veroverden effectief meer politieke en economische zeggenschap. Hun hefbomen waren onder andere vakbonden, mutualiteiten, massapartijen, media, coöperaties en sociaal-culturele bewegingen.
Meer zelfs, veel van dat pre ‘68 palmares houdt vandaag nog altijd stand, zij het moeizaam in steeds meer landen. Maar wat mei ’68 structureel echt realiseerde om de samenleving verder te emanciperen, valt heel erg tegen. Die nalatenschap zinkt werkelijk in het niet. Het is ronduit ontgoochelend dat de jaren zestig niets opleverden dat qua bevrijdingskracht of duurzame verandering ook maar in de buurt komt van wat vroegere generaties presteerden. Als de jaren zestig al voor een breuk zorgden, is de pijnlijke realiteit dat er een einde kwam aan de creatie van nieuwe sterke maatschappelijke hefbomen als tegenwicht voor de ééndimensionale economie en een te sterke staat. De onmacht en mislukkingen van de jaren zestig maakten juist de weg vrij voor al te eenzijdig economisch marktdenken, de hernieuwde almacht van geld, ongeëvenaarde digitale monopolies en overheden die het opgeven om emanciperend en ontvoogdend te willen zijn voor iedereen, zonder onderscheid en op alle vlakken.
Dat doet geen afbreuk aan wat er wel was. Het is zeker waar dat de kritische houding ten aanzien van de wegwerpeconomie en de welvaartsstaat ’68 kenmerkt. En het was ook een terechte kritiek op de bastions van de klassieke sociale bewegingen die geen – of minstens onvoldoende – oog hadden voor de nieuwe uitdagingen. Maar waar is de bevrijding? Waar zijn de nieuwe mens, de nieuwe school, het nieuwe werk, de nieuwe duurzame economie, de nieuwe leef- en woonvormen, de zorg voor de wereld? Talloos waren de experimenten, van communes tot arbeidszelfbestuur, van selfreliance tot wereldwinkels. Vele zijn verdwenen, sommige cultiveerden hun niche of groeiden uit tot interessante en zelfs vrij belangrijke stromingen en bewegingen, niet in het minst de ecologische beweging. Maar in de werkelijke wereld de bakens systemisch verzetten zoals voorgaande opstandige generaties deden, neen, dat is er in de voorbije vijftig jaar niet van gekomen.

Kindertal

Er is toch de seksuele revolutie? Die is, opnieuw voor wie breder kijkt, veel meer een continuüm dan breuk. Alleen al het feit dat vooral de arbeiders er al decennialang in slaagden om hun kindertal beperkt te houden, illustreert hoe al die jaren voor mei ‘68 seksuele moraal en praktijk hemelsbreed uit elkaar lagen.
Kunnen we dan eindelijk na vijftig jaar de mythes laten rusten, mei ’68 een verhelderende plaats geven in de geschiedenis, en ons concentreren op hoe het nu verder moet?
Alvast twee interpretaties zijn mogelijk.
Zou de gewonnen mondigheid ons misschien kunnen helpen? Neen, als ze vooral illusie is. Want het lijkt erop dat eenieder nu kan roepen of zelfs tieren op media die niet sociaal zijn maar wel de meest gebalde economische machtsconcentratie die de wereld ooit heeft gezien… En al dat roepen, protesteren, sensibiliseren maakt – dat vertelt de ervaring van intussen minstens vijftig jaar – op vele terreinen geen ene moer verschil. De onmacht van al die roepers is totaal in die nieuwe wereld als ze niet ook de wezenlijke hefbomen voor verandering weten te creëren.
Dan oogt een andere interpretatie aantrekkelijker. Slaagt een nieuwe opstandige beweging erin na 50 jaren waarin de dromen hebben kunnen rijpen in de buik van de samenleving om nieuwe emancipatorische hefbomen te creëren? En kunnen die de almacht van Facebook en Google onderuithalen? Weten zij economische en politieke zeggenschap radicaal te deconcentreren en mens & samenleving veel meer greep te geven op het bestaan? Een zeggenschap die tot veel meer welbevinden leidt en het mogelijk maakt om de opstekende sterke demonen van opstandigheid tegen democratie en mensenrechten tijdig te counteren?


Dirk Barrez
Hoofdredacteur van PALA.be.